
Ik was acht jaar oud.
Mijn vader en moeder hadden ruzie over waar ik moest slapen die avond. We stonden met z’n drieën in de woonkamer.
“Je neemt hem maar mee naar Ome Ko” schreeuwde mijn moeder.
“Het is ook jouw hoerenzoon, jij hebt mij met dat kind opgezadeld, dus jij zorgt maar voor onderdak” deed ze er nog een schepje bovenop.
Mijn vader liep op haar af, zijn hand in de lucht, klaar voor een aframmeling. Uiteindelijk deed hij het niet.
“Ik zal je sparen. Alleen omdat hij erbij staat,” zei hij met iets van spijt in zijn stem. “Maar je houdt wel wat van mij tegoed.”
Pas later begreep ik dat mijn moeder die avond in ons huis goede zaken kon doen en dat hij feitelijk zijn koopwaar niet wilde beschadigen.
Mijn vader liep naar mijn slaapkamer en stopte wat kleding in een tas.
“Je mag vanavond logeren” zei hij, terwijl hij mij dreigend aankeek. “Bij Ome Ko. Je gaat gewoon slapen en je blijft in je kamer.”
Toen hij zag dat ik wilde protesteren zei hij erbij: “En als je niet doet wat ik zeg krijg je een pak slaag dat je je nog lang zal heugen. Als dat nog niet helpt breek ik je al je botten.”
Ik wist dat het niet bij dreigementen zou blijven en slikte mijn woorden in.
Wat mijn vader precies voor werkzaamheden bij Ome Ko deed wist ik ook niet.
De uitbater had vier slaapkamers boven zijn café. Officieel voor gasten. Maar meestal werden ze gebruikt voor zaken die het daglicht niet konden velen.
“Ko, ik heb mijn jongen bij me” zei mijn vader in de regel. Hij noemde nooit mijn naam. “Je zult geen last van hem hebben.”
Ko knikte dan wat minzaam. “Doe hem maar in kamer vier” zei hij. “Dat bed moet toch nog worden verschoond.”
Dit tafereel speelde zich af in augustus 1970. Wat ze niet wisten, was dat er die avond een grote politie-inval zou zijn die zich richtte tegen de georganiseerde misdaad in de stad.
Ik sliep nog niet toen ze met veel kabaal binnenvielen. Er klonken schoten en er was glasgerinkel. Er werd geschreeuwd, gevloekt. Ik hoorde onbekenden op de trap naar boven stampen. Ik vloog mijn bed uit om te kijken wat er aan de hand was. Toen ik de deur open deed werd ik met een enorme klap weer achteruit gesmeten. Een scherpe steek ging door mijn been. Ik had nog nooit zoveel pijn gehad en dacht dat ik dood ging.
Ik kon niet meer opstaan. Een geur van verbrand vlees drong mijn neus binnen. Een jonge man met zwaar wapentuig in zijn handen dat hij nog op mij gericht hield, deed het licht aan en kwam voorzichtig de kamer binnen. Ik probeerde vergeefs op te staan en zag zijn verbazing. Er vormde zich een behoorlijke plas bloed onder mijn been.
“Jezus Christus” hoorde ik de politieman ontzet vloeken. “Het is nog maar een jongen.”
Het werd zwart voor mijn ogen. Ik raakte buiten bewustzijn en kwam pas weer bij toen ik in een ambulance lag. Voor de zekerheid hadden ze mij een zuurstofmasker opgedaan. Met luide sirenes reden we op weg naar de dichtstbijzijnde operatietafel.
Ik werd na alle medische ingrepen uit huis geplaatst. Iemand van het maatschappelijk werk had mijn moeder er op gewezen dat mijn vader in de gevangenis zat, zijzelf betaalde bezigheden in de avond had en ik al langer te pas en te onpas mijn school wel eens miste. Dat was nog naast het feit dat ik was neergeschoten op één van de meest criminele plekken in de stad.
De vrouw vroeg of mijn moeder kon begrijpen dat het verstandiger zou zijn als ik tijdelijk elders zou worden ondergebracht.
“Probeer anders zijn vader” zei mijn moeder. “Die heeft zijn natje en zijn droogje. Een vaste verblijfplaats voor weinig. Misschien kunnen ze de opvreter er weer leren lopen. Wat kan die jongen nog meer willen?”
Ik heb haar nooit meer gezien.
Ik herstelde in een kindertehuis waar nonnen met een streng regime mijn gezondheid en ontwikkeling in de gaten hielden. Mijn been herstelde langzaam. Moeder overste gaf mij wat lessen taal en rekenen totdat ik weer naar school kon.
In het kindertehuis waren er uitsluitend jonge kinderen die allemaal om de meest uiteenlopende redenen niet meer bij hun ouders konden wonen.
Ik probeerde mij aan te passen.
Na enkele maanden werd gevraagd of ik geen zin had om een kleine week in een recreatiepark door te brengen. Het was, zo liet de raadselachtige uitnodiging weten, een vakantie onder begeleiding van professionele opvang.
Het was midden in de Kerstvakantie.
De nonnen moeten hebben geweten wat er speelde en gaven er hun goedkeuring aan.
Ik zei ook “ja”, want ik was nog nooit op vakantie geweest. Ik kreeg wat kleren in een koffer mee en ik mocht in de week van vertrek een nieuwe zwembroek kopen.
Een zuster bracht mij er met de trein naar toe.
Op het station werd ik opgevangen door twee mannen, een oudere en een wat jongere. De jongere kwam me vaag bekend voor maar ik wist niet meer waarvan. Hij werd, zoals ik het nu zou noemen, wat emotioneel toen hij mij op het perron zag naderen. De oudere man boog zich licht naar hem toe en sprak zachtjes met hem. Na enige tijd stelde de jonge man zich netjes voor. Hij gaf me een hand en zei: “Hallo mijn naam is Harm.” Hij slikte. “Ik ben erg blij dat je wilde komen.”
Het was de stem van “Jezus Christus” in de donkere kamer van toen.
Een kleine week deden we allerlei activiteiten die horen bij een recreatiepark. Al na één dag deden we bijna alles samen. De andere man trok zich min of meer terug in de bungalow. ’s Avonds aten we patat met iets erbij. Soms gingen we naar het restaurant. We keken tv of deden een spelletje tot ik naar bed moest.
Ik had dit nog nooit meegemaakt.
We sliepen samen op één kamer. We hadden allebei een éénpersoonsbed.
“Ik wil er zelf voor zorgen dat je niets overkomt” had Harm nadrukkelijk toegelicht.
Hij kwam altijd een uurtje later naar bed.
“Slaap je al?” fluisterde hij elke keer.
Ik schudde mijn hoofd. “Nog niet.”
“Je kunt rustig gaan slapen” antwoordde hij dan zo vertrouwelijk mogelijk.
De laatste avond bleef hij even stil. Uiteindelijk vroeg hij: “Droom je wel eens? Anders dan…”, hij twijfelde, “anders dan vroeger?”
“Ik droom…. gewoon, geloof ik” antwoordde ik.
Het bleef opnieuw stil.
“Geen dromen waar je soms wel eens bang voor wordt?” vroeg hij tenslotte.
Ik schudde mijn hoofd.
“Ik heb niets om bang voor te zijn” antwoordde ik zo eerlijk mogelijk.
Harm ging op de rand van zijn bed zitten en deed zijn zaklamp aan.
Mijn ogen moesten weer wennen aan het licht.
Een paar minuten luisterden we naar de geluiden buiten.
Hij schoof het gordijn van de slaapkamer opzij.
Fijne sneeuw was bezig een wit tapijt aan te leggen.
“Ik geloof dat ik ook niet meer bang hoef te zijn voor mijn dromen” zei hij zacht.
Hij liep op mij af en gaf me een zoen.
Ik trok hem aan zijn pyjamajasje naar beneden en gaf hem een zoen terug.
Het was de meest vreemde maar ook mooie week die ik tot dan toe had meegemaakt in mijn leven. Op het station vroeg de zuster of alles was goed gegaan. Ik knikte. Harm gaf me een stevige omhelzing en zei dat hij mij graag nog weer eens wilde zien, als ik dat goed vond.
Log in om te reageren
Een indrukwekkend verhaal, Lukas. Wat vind je ervan om te beginnen met: Ik sliep nog niet toen ze met veel kabaal binnenvielen. Er klonken schoten en er was glasgerinkel. Er werd geschreeuwd, gevloekt. Ik hoorde onbekenden op de trap naar boven stampen. Wat eraan voorafging, kun je dan gaandeweg...
Ja, dat is een goede overweging Jan. Ik vraag mij alleen af of, qua opzet, een roman en memoires daarin niet verschillen. Memoires zijn in de regel meer chronologisch in de opbouw. Maar misschien ben ik daar te beperkt in denken in.
Ja, dat is waar, denk ik: dan wordt het meer een verhaal dan memoires.